Waarom “het eerste en tweede verbond” een betere benaming is dan “het Oude en Nieuwe Testament

Waarom “het eerste en tweede verbond” een betere benaming zou zijn dan het  “het Oude en Nieuwe Testament!

Binnen het christendom worden de twee delen van de Bijbel meestal aangeduid als het “Oude Testament” en het “Nieuwe Testament”. Deze namen zijn al eeuwenlang in gebruik en zijn, (voelen) daarom vanzelfsprekend. Toch kan worden gezegd dat de benamingen “eerste verbond” en “tweede verbond” beter aansluiten bij de inhoud van de Bijbel zelf. Deze woorden maken duidelijker dat Gods handelen met de wereld één doorgaand verhaal is, dat begint bij Israël en zich vervolgens verder ontwikkelt.

De Bijbel leert dat de Schrift niet slechts menselijke woorden zijn. 2 Timotheüs 3:16 zegt het volgende: Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid.

 

In de Bijbel staat namelijk niet het woord “testament” centraal, maar het woord verbond. Een verbond is een relatie van trouw en belofte tussen God en mensen. Het Hebreeuwse woord berit verwijst naar zo’n verbondsrelatie. Wanneer deze woorden later in het Latijn werden vertaald, koos men vaak voor het woord testamentum. Dat woord heeft echter meer de betekenis van een juridisch document of nalatenschap. Daardoor verschoof het accent van een levende relatie naar een soort afgesloten overeenkomst.

In de Bijbel begint het verhaal van het verbond duidelijk bij Israël. God sluit een verbond met Abraham en zijn nageslacht. In Genesis 17:7 zegt God: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond.”

Dit vers laat zien dat Gods verbond met Abraham niet tijdelijk is, maar bedoeld is voor alle generaties. Het vormt de basis van het verdere Bijbelse verhaal. Later wordt dit verbond concreet zichtbaar wanneer God het volk Israël uit Egypte bevrijdt. Op de Sinaï sluit Hij een verbond met het volk. In Exodus 19:5 staat: Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn.

 

Hier wordt Israël aangewezen als een volk met een bijzondere roeping. Het is niet zomaar een religieuze gemeenschap, maar een volk waarmee God een specifieke relatie aangaat. Wanneer de eerste helft van de Bijbel wordt aangeduid als het “Oude Testament”, kan dit onbedoeld de indruk wekken dat deze relatie met Israël achterhaald of vervangen zou zijn. In het dagelijks taalgebruik betekent “oud” immers vaak dat iets niet meer relevant is. Deze manier van spreken heeft in de kerkgeschiedenis mede bijgedragen aan de gedachte dat de kerk de plaats van Israël heeft ingenomen.(vervangingsleer)

Toch laat de Bijbel zelf zien dat Gods trouw aan Israël blijvend is. De profeet Jeremia benadrukt dit krachtig. In Jeremia 31:35–36 zegt God dat Israël zal blijven bestaan zolang de orde van zon, maan en sterren blijft bestaan. Daarmee wordt duidelijk dat Gods verbond met Israël niet wordt opgeheven.

 

Juist in hetzelfde hoofdstuk wordt ook gesproken over een nieuw verbond. In Jeremia 31:31 staat:
“Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten.”

Het is belangrijk om te zien met wie dit nieuwe verbond wordt gesloten: met het huis van Israël en het huis van Juda. Het nieuwe verbond wordt dus niet met een ander volk opgericht dat Israël vervangt, maar met hetzelfde volk waarmee God eerder een verbond sloot. Het gaat om vernieuwing binnen de bestaande relatie.

In het tweede deel van de Bijbel wordt deze belofte verbonden met het leven en het werk van Jezus. Tijdens de laatste maaltijd met zijn leerlingen zegt Hij: Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt” (Lucas 22:20).

 

Hier verwijst Jezus rechtstreeks naar de profetie van Jeremia. Tegelijk moet worden beseft dat Jezus zelf Joods was en leefde binnen de traditie van Israël. Zijn leerlingen en de eerste volgelingen waren eveneens Joden. Het christelijk geloof is historisch gezien ontstaan binnen het Jodendom en niet los daarvan.

Dit wordt ook duidelijk in de brieven van Paulus. In Romeinen 11 gebruikt hij het beeld van een olijfboom om de relatie tussen Israël en gelovigen uit andere volken te beschrijven. Israël vormt de oorspronkelijke boom, terwijl gelovigen uit de volken als wilde takken worden geënt op deze boom. Paulus waarschuwt vervolgens: Beroem u niet tegenover de takken… u draagt de wortel niet, maar de wortel u” (Romeinen 11:18).

Met dit beeld maakt Paulus duidelijk dat het geloof van christenen geworteld blijft in Israël. De wortels van het geloof liggen in de geschiedenis, de Schrift en de beloften die aan het Joodse volk zijn gegeven.

Daarom zegt Paulus ook nadrukkelijk: De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk (Romeinen 11:29).
Met andere woorden: God komt niet terug op zijn beloften.

 

Wanneer we spreken over het eerste verbond en het tweede verbond, wordt deze continuïteit beter zichtbaar. Het eerste verbond vormt de basis waarop het tweede voortbouwt. Het tweede verbond betekent niet dat het eerste wordt afgeschaft, maar dat Gods plan verder wordt uitgewerkt en verdiept. Een dergelijke benadering helpt om de Bijbel als één samenhangend verhaal te lezen. Dat verhaal begint bij Israël, wordt geschreven door Joden uit Israël en blijft verbonden met de geschiedenis van dat Joodse volk. Zonder Israël is de Bijbel daarom niet goed te begrijpen. De taal, de geschiedenis, de profeten en zelfs de komst van de Here Jezus staan allemaal in het kader van Gods omgang met Israël. Door bewust te spreken over het eerste en tweede verbond kan deze Bijbelse lijn duidelijker naar voren komen.

Het helpt om recht te doen aan de Joodse wortels van het christelijk geloof en om te zien dat Gods verbondsgeschiedenis niet gaat over vervanging, maar over voortzetting en vervulling.

Shalom Dre

Maak jouw eigen website met JouwWeb